Primeert de openbaarheid van bestuur

dan wel het beroepsgeheim?

Openbaarheid van bestuur wordt meer dan eens ingeroepen in kader van inzage in de juridische adviezen die het lokaal bestuur heeft aangevraagd. Denk aan het college van burgemeester en schepenen dat overweegt in beroep te gaan tegen een omgevingsvergunning of juridisch advies inwint in het kader van overheidsopdrachten of een bestuurlijke maatregelZo is er bijvoorbeeld een arrest van de Raad van State van de gemeente Waasmunster tegen het Vlaams Gewest. Daar beslist de rechtbank dat de gemeente onvoldoende aantoont dat de openbaarmaking van de (vertrouwelijke briefwisseling en advies advocaathaar voor problemen plaatst met betrekking tot haar verdere acties in de aangelegenheid waarmee de bestreden beslissing verband houdt. 

Recent was deze kwestie opnieuw aan de orde. Bij de stad Gent werd een aanvraag ingediend om een afschrift te ontvangen van de juridische adviezen die werden opgemaakt inzake een mogelijke statutenwijziging bij KAA Gent. Die aanvraag werd geweigerd. Het beroep tegen die weigering wordt daarop ontvankelijk maar ongegrond verklaard. Bij het hoger beroep richt de Raad van State een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.  

In een arrest van 15 januari 2026 verduidelijkt het Grondwettelijk Hof dat de schending van het beroepsgeheim wordt gesanctioneerd in het Strafwetboek. Het beroepsgeheim vormt dus een absolute uitzonderingsgrond in regelgeving van openbaarheid van bestuur. Dit betekent dat ook geen belangenafweging mag worden gemaakt. Het beschermde belang van het beroepsgeheim weegt op tegen dat van openbaarheid. 

De versterkte bescherming toegekend aan de uitwisselingen van informatie tussen advocaten en hun cliënten betreft niet alleen de verdediging, maar ook het juridisch advies, zowel wat de inhoud als het bestaan ervan betreft. Personen die een advocaat raadplegen, mogen immers redelijkerwijs verwachten dat hun communicatie privé en vertrouwelijk blijft. 

Met dit arrest wordt nog eens duidelijk gesteld dat de bescherming van het beroepsgeheim de grondwettelijke toets met artikel 32 GW en artikel 10 EVRM in kader van openbaarheid doorstaat. Het belang van de bijzondere vertrouwelijke relatie tussen cliënt en advocaat staat vast en is beschermd door de uitzonderingsbepaling in kader van openbaarheid van bestuur.  

Bij de beoordeling van een vraag tot openbaarheid van bestuur volstaat het om te verwijzen naar de uitzonderingsbepaling. De absolute uitzonderingsgrond in artikel 6 § 2, 2°, van de wet van 11 april 1994 houdt bovendien in dat van een belangenafweging bij de beoordeling geen sprake kan zijn.